Spreekuur in de schaduw
| Publicatie | Nr. 23 - 07 juni 2011 |
|---|---|
| Jaargang | 2011 |
| Rubriek | Over de grens |
| Auteur | Hanna Jellema |
| Pagina's | 1472-1473 |
Hanna Jellema werkte voor Artsen zonder Grenzen in Zuid-Sudan
Elke dag, na mijn zaalrondes, houd ik spreekuur, buiten, in de schaduw van een boom. De wachtkamer bestaat uit twee houten bankjes, haaks op elkaar, en is gevuld met patiënten. Ertegenover een onderzoeksbank. Zodra ik klaar ben met de visite, installeren de verplegers mijn ‘spreekkamer’. Ze weten inmiddels hoe ik het wil: één stoel voor de patiënt, één voor mijn vertaler en één voor mijzelf. Verder een tafel, als afscheiding tussen de ‘wachtruimte’ en mijn hoekje, en om wat privacy te geven.
Geduldig zitten de patiënten klaar, als ik, meestal rond half elf, begin aan het spreekuur. Een deel van hen is verwezen door de health workers in de polikliniek. Meestal omdat het een ingewikkeld probleem is, soms omdat de patiënten erg ziek zijn en opgenomen moeten worden. Een ander deel van de patiënten komt voor een controlebezoek na een opname. Allemaal hebben ze een blauwe kaart, met daarop de medische bevindingen geschreven. Dan volgt mijn ritueel van het verzamelen van alle kaarten, en het besluiten in welke volgorde ik de patiënten zie. Ik selecteer op ernst, op leeftijd (de ziekste baby’s eerst), en op efficiëntie. Patiënten die alleen komen voor een herhaalrecept probeer ik snel weg te werken om zo de druk wat van de ketel te halen. Patiënten die proberen de polikliniek te omzeilen en zonder verwijzing bij mij komen, stuur ik regelrecht terug.
De problemen zijn divers, de gesprekken boeiend. Sommige patiënten komen veel te laat naar de kliniek: ziek, met ernstige infecties. Enkele wekelijks terugkerende patiënten ken ik inmiddels als echte hypochonders. Ze zijn ervan overtuigd dat ze tuberculose of brucellose hebben, hoewel er bij onderzoek nooit iets te vinden is. Over de oorlog wordt nauwelijks gesproken, maar regelmatig zie ik de littekens van de jarenlange strijd. Gisteren had ik een misverstand met een jongen die vertelde dat zijn been kapot was en die het naar de hoofdstad wilde laten sturen ter reparatie. Toen ik wat verbaasd keek, begon hij te lachen en legde uit dat hij zijn kunstbeen bedoelde; zijn echte been was tijdens de oorlog beschoten en vervolgens geamputeerd.
Mijn pogingen om privacy te creëren werken minimaal. Iedereen kijkt geboeid toe, luistert mee, of bemoeit zich met het gesprek. Gelukkig is men over het algemeen niet erg verlegen en is privacy hier niet zo’n issue. Ik kan gerust naar longen luisteren met een volle wachtkamer die toekijkt, en van blote borsten kijkt niemand op.
Mijn ‘open spreekkamer’ heeft ook voordelen. Vanwaar ik zit, heb ik overzicht over alles en kan ik de boel regisseren. Terwijl ik met mijn patiënt praat, houd ik een oogje op de wachtkamer. Brakende, benauwde, pijnlijke patiënten, de typische geur van een geïnfecteerde wond, een piepende astmapatiënt, het is allemaal nuttige informatie, en maakt nogal eens dat ik de volgorde van de blauwe kaarten verander. Verder overzie ik de binnenplaats tussen de afdelingen en de verrichtingenkamer. Ik zie patiënten voorzichtig naar het toilet schuifelen en zie bijvoorbeeld aan hun manier van lopen dat ze langzaamaan opknappen. Buiten de verrichtingenkamer op een bankje in de schaduw zitten patiënten wakker te worden van de ketamineanesthesie. Meestal duf en stilletjes. Maar op sommige mensen heeft ketamine het effect dat ze wartaal gaan uitslaan, luid gaan zingen of gaan schelden. Tot grote hilariteit van de omstanders en mijn wachtkamer.
Wel word ik continu gestoord. Soms door de wind, die het moeilijk maakt om het ademgeruis te beluisteren. Maar meestal door de geweldige dynamiek van de open spreekkamer.
Midden in een gesprek komen nieuw verwezen patiënten met hun blauwe kaart in mijn gezicht zwaaien. Een verpleger van de verloskundeafdeling komt een paar matrassen lenen. Familieleden van patiënten komen vragen om een roze armbandje, zodat ze water kunnen halen bij de ziekenhuiskraan.
Van alles gebeurt er tegelijk. Patiënten komen onder de boom oude bekenden tegen, met uitgebreide begroetingen en veel geklets. Of maken een dramatische entree, kruipend op handen en knieën om vervolgens stuiptrekkend in het stof te gaan liggen. Meestal valt de daadwerkelijke ernst gelukkig erg mee. De kleuters die meekomen met zieke familieleden, komen ook nog wel eens aanwaaien. Ze schudden me de hand en babbelen er vrolijk op los. Ik speel in het voorbijgaan wel eens een spelletje met ze. Maar als ik spreekuur houd, dan stuur ik ze weg en kijk er streng bij. Je moet wat, als je geen deur hebt om dicht te doen.
Tropenarts in Zuid-Sudan
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
04-05 | | Museum Jan van der Togt
Tentoonstelling: Under Construction - Joop Rubens en Refat Karim
Op de tentoonstelling Under Construction in het Museum Jan van der Togt staat de huid centraal. »»
17-04 | | Museum Boerhaave
Het gewichtige lichaam - Boerhaave museum
Een tentoonstelling over de omgang van de mens met zijn uiterlijk. »»
17-04 | | Het Dolhuys - Haarlem
Tentoonstelling: Verborgen schoonheid uit Japan - Het Dolhuys
Nieuwste column
Meevoelend
23-05-2012 |
Het verpleeghuis betekent niet altijd kommer en kwel, maar de coassistent die deze week meeloopt hoort mij wel erg vaak zeggen: ‘zielig hè’ of ‘triest eigenlijk’ of ‘beetje hopeloos dit’ en aan het eind van de dag is ze zo overvoerd met ellende dat ze zich hardop afvraagt hoe ik het volhoud. »»
Reacties: 1 reactie













